Zoeken
  • Floris Burgers

Als we even niet in Thailand zijn

Een buitenlandse wetenschapper die onderzoek wil doen naar de problemen van Nederlandse twintigers zou zich in eerste instantie geen raad weten met zijn project. Een vrijdagmiddagwandeling door een willekeurige binnenstad, Nijmegen bijvoorbeeld, leidt hem langs volle terrassen, barretjes en andere horecagelegenheden waar deze generatie, mijn generatie, dan massaal zit te borrelen. Althans, zij die in den landen zijn. Er is namelijk altijd een significant deel van ons dat zich al hikende, dan wel duikende, in Thailand, Laos of Cambodja bevindt.


Als de wetenschapper een kijkje besluit te nemen op de sociale media wordt zijn beeld van een louter gelukkige groep reizende en borrelende mensen bevestigd. Twintigers doen niet alleen leuke dingen, nee, zij delen die geluksmomentjes ook nog eens op Facebook en Instagram. “Wat voor een probleem valt er in deze samenleving in godsnaam te onderzoeken?” zou de wetenschapper zich verward afvragen terwijl hij langs de wijn-, feest- en reisafbeeldingen op Instagram scrolt “deze generatie kent geen problemen…”


Niets is echter minder waar. De onderzoeksvragen zullen zich snel aan de wetenschapper aandienen zodra hij vrijmibo (“vrijdag middag borrel”, voor het geval u niet tot de bubbel van borrelende twintigers behoort) moe is en besluit een avondje thuis voor de buis te blijven. Op tv passeert het thema “depressies onder jongeren” namelijk regelmatig de revue in nieuws- en talkshows. Volgens de depressie-pagina van NOS op 3 – het feit dat die pagina bestaat zegt al veel – heeft maar liefst drie op de tien jongeren (!) er last van. De huidige generatie twintigers blijkt helemaal niet zo probleemloos en gelukkig te zijn. Hoe kan dit? Zou de hoofdvraag van de wetenschapper luiden.


Ongelukkig zijn mag niet

Niets zo complex als de menselijke psyche en dus het antwoord op deze vraag. De ideeën van Dirk de Wachter – een van de vele psychiaters die regelmatig over dit thema komt spreken aan de nationale talkshowtafels – zouden het denken van de wetenschapper op weg kunnen helpen. De Wachter stelt dat welvaart ertoe heeft geleid dat “ongeluk” niet langer wordt getolereerd. Mensen leven met het idee dat gelukkig zijn moet, wat er vervolgens toe leidt dat ervaring van ongeluk hen sneller naar de keel grijpt. Ongelukkig zijn mag niet, maar toch ben ik het: paniek! Geluk is gehyped en ongeluk is geproblematiseerd, wat helaas leidt tot meer van het laatste. Conclusie? Twintigers moeten accepteren dat het soms ook tegenzit in het leven. Dat het leven, wanneer je even niet met een backpack over Thaise heuvelruggen hiket, soms ook saai is en dat dit geen reden tot paniek is.


Twee bronnen van geluk

Helpt dit de wetenschapper op weg? Ik denk het wel. Maar volgens mij speelt er nog iets waar de wetenschapper over na zou moeten denken. Ik ontwikkelde dit idee in de maanden nadat ik de psychologische theorieën over geluk van Martin Seligman, een Amerikaanse Hoogleraar psychologie, leerde kennen. Seligman stelt dat je geluk in essentie uit verschillende soorten ervaringen, of “bronnen”, kan halen. Twee van die “geluksbronnen” zijn in het bijzonder relevant voor het idee dat ik de wetenschapper zou willen voorleggen:


De eerste bron van geluk, die ik “borrelgeluk” noem, gaat over geluk dat je haalt uit een prettig moment. Borrelgeluk is het geluk dat je ervaart door het doen van leuke dingen. Het goede gevoel dat je kan overhouden aan – inderdaad – een leuke borrel of reis naar Thailand. Borrelgeluk is onomstreden als opzichzelfstaande bron van geluk, maar heeft als nadeel ten opzichte van andere bronnen van geluk dat het zorgt voor een relatief korte geluksboog: dat lekkere gevoel dat je overhoudt aan een reis naar Thailand is na een maand niet meer zo sterk. Het is tevens een bron van geluk die je makkelijk uitput: vlieg je voor de derde keer naar Bangkok dan is de kans groot dat jouw reis je deze keer een minder intense geluksbeleving zal opleveren dan het de eerste keer deed. Van borrelgeluk word je steeds minder makkelijk happy.


Borrelgeluk wordt door Seligman dan ook gezien als een minder ideale bron van geluk dan wat hij noemt “altruïstisch geluk”. Deze vorm van geluk, die ik liever “levensgeluk” noem, verwijst naar geluk dat je haalt uit het idee dat hetgeen jij doet in jouw leven het juiste is voor jou om te doen. Levensgeluk ervaar je als je gelooft dat je doet waarvoor je bestemd bent en/of dat je iets doet dat goed is. Bijvoorbeeld het geluk dat een dokter kan halen uit het besef dat hij dagelijks bijdraagt aan het verbeteren van het leven van mensen. Of het geluk dat een timmerman haalt uit het idee dat hij doet waar hij goed in is. Niet voor niets noem ik deze bron van geluk levensgeluk: ten opzichte van borrelgeluk is levensgeluk duurzamer en stabieler.


Als je niet meer wordt wat je vader was

In het leven van de huidige generatie twintigers lijkt levensgeluk echter steeds minder vanzelfsprekend en moeilijker te realiseren. Zowel ten opzichte van hoe het vroeger was als hoe het nu nog in veel andere samenlevingen is. De Nederlandse twintigers van nu groeien op in een context van mogelijkheden (en dus keuzes) en moeten hun “roeping” zelf zien te vinden. Ben ik wel gemaakt voor wat ik doe? En is wat ik doe het juiste voor mij om te doen? Geen vragen voor een boerenzoon in Oeganda die, in een context van weinig kansen, zonder te twijfelen gaat voor die ene kans die hij krijgt. Roeping – en dus levensgeluk – gevonden… Maar wel vragen voor Nederlandse twintigers die niet langer worden wat hun vader was.


Levensgeluk is niet langer iets dat Nederlandse twintigers overkomt. Nee, zij moeten er actief naar opzoek. En dat terwijl een aantal ontwikkelingen die zoektocht moeilijker heeft gemaakt. De groei aan flexibele banen, bijvoorbeeld, noodzaakt jongeren om zich flexibel op te stellen ten aanzien van hun werk. En dus niet om hun werk te veel te gaan zien als een lange termijn project of “roeping”. De kosmopolitische levensstijl van veel twintigers – velen zijn wereldburger en hebben connecties in verschillende steden en landen – wakkert het idee van “nietigheid” aan. Wanneer je jezelf als inwoner van de wereld ziet, in plaats van inwoner van een dorp, vraag je je sneller af: wat doet mijn bijdrage er eigenlijk toe? En daarnaast is de bron van borrelgeluk zo toegankelijk – en misschien zelfs wel gehyped – dat men zich sneller blindstaart op deze “suboptimale” bron van geluk.


Het geluk van de wetenschapper

De twintigers van nu leven in een verraderlijke tijd waarin ongeluk is (over)geproblematiseerd en levensgeluk minder vanzelfsprekend lijkt. De complexiteit van deze ontwikkelingen en de uitwerkingen daarvan op het geluk van mensen is voer voor verdere discussie en wellicht een volgend blog. Voor nu geeft het de buitenlandse wetenschapper in ieder geval waar hij naar op zoek was: onderzoeksvragen. Iets om aan te werken. Misschien zelfs wel een bron van levensgeluk.

2 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven